“Als men dan ook nog gaat reizen, verliest het leven elke zin, eindigt het in waanzin”

De Servische schrijver Milos Crnjanski schreef in 1951 een kort briefje aan zijn land- en generatiegenoot Dimitrije Mitrinovic, de utopistische schrijver, filosoof en activist. Beiden leefden al decennia in ballingschap, in Londen. Crnjanski vond het zinloos en vruchteloos, al dat reizen en dat verplaatsen.

“En zie, uitgewaaierd over de wereld, hebben we nauwelijks nog droog brood te eten, en enige hoop dat het allemaal iets zal verbeteren. In de wereld overwint het kwaad.”

In 2017 vond ik dit briefje in het archief van Mitrinovic in Bradford en het ontroerde me. Ik ben een bescheiden fan van Milos Crnjanski, de Servische schrijver die altijd in de schaduw zou blijven van zijn bewierookte land- en generatiegenoten Ivo Andric (die een Nobelprijs won) en Miroslav Krleza.

Crnjanski werd geboren in het Oostenrijks-Hongaarse rijk in een gebied dat nu in Roemenië ligt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij, als Serviër, gevochten in het Oostenrijks-Hongaarse leger tegen Rusland. In de oorlogsjaren ontwikkelde hij zich al tot een interessante, modernistische dichter en in 1919, na de oorlog, publiceerde hij zijn bundel Liederen van Ithaka. Net als Ivo Andric werd Crnjanski diplomaat, onder andere in Rome.

Zijn jarendertig-flirt met het fascisme maakte hem na de oorlog echter verdacht voor Tito’s communisten en daarom bleef hij angstvallig op afstand – in Londen. Daar wachtten hem zware jaren. De Britse literaire wereld bleef grotendeels gesloten voor de getalenteerde dichter, en hij moest zich financieel staande houden door onnozele baantjes aan te nemen als kantoorklerk bij een schoenenfirma. Zijn vrouw verdiende geld met het vervaardigen van poppen voor warenhuizen.

In de jaren zestig zou Crnjanski terugkeren naar Joegoslavië waar Tito hem zijn fascistische jeugdzondes eigenlijk al heel lang had vergeven. In Belgrado hield hij de deur dicht voor pottenkijkers. Hij stierf in 1977. Hij liet een klein maar fascinerend en eclectisch oeuvre na.

Ruim tien jaar geleden vertaalde Guido Snel Crnjanski’s roman Bij de Hyperboreeërs. Van dat boek heb ik genoten. Geheel tegen mijn principes in schreef ik er zelfs een recensie over voor Donau, waarin ik – toegegeven, ietwat overdreven – kraaide dat dit boek toch echt beter was dan De Brug over de Drina (magnum opus van Ivo Andric) en de Terugkeer van Filip Latinowicz (bekendste boek van Miroslav Krleza) bij elkaar. Mogelijk had ik de subtiele wrok van Crnjanski tijdelijk eigen gemaakt.

 

Ik weet nog steeds niet zo goed waarom ik dat boek zo goed vond. Bij de Hyperboreeërs is als boek gelaagd, bizar, caleidoscopisch, maar ook een beetje saai. De hoofdpersoon dwaalt eindeloos verveeld rond in de diplomatieke beau monde van Rome, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Thuis sorteert en ordent hij zijn aantekeningen en gedachten over de wereldreizen die hij in zijn leven gemaakt heeft, onder andere in het Hoge Noorden; IJsland en Scandinavië. Als ‘zuiderling’ verlangt hij naar het mythische noorden, naar de straten van Zweden, naar de stugge IJslanders, de stilte, de eindeloze stilte van het ijs, en naar het niet-bestaande land van de ‘Hyperboreeërs’.

Het is niet verwonderlijk dat Mitrinovic en Crnjanski wel iets gemeen hadden. Beiden hadden ze een rol gespeeld in de vroege nationalistische Servische revolutionaire jongerenbeweging in het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Beiden hadden ze zich gepositioneerd als buitenstaander, en beiden waren terechtgekomen in Londen, de hoofdstad van het wereldomvattende Commonwealth. Ooit veelbelovende dichters op de Balkan, waren ze tenslotte geëindigd als marginale excentriekelingen in een ver, vreemd land. In Londen waren zij geziene gasten in Servische emigrékringen, maar echt groot  en beroemd werden ze daar nooit.

Mitrinovic verbleef sinds 1914 in Engeland en transformeerde daar van een dichter in een onnavolgbare goeroe, die zijn eigen volgelingen koos in de jaren twintig en dertig. Hij en Crnjanski bezagen het Europese Interbellum vanuit een Engels perspectief. In hun schrijfstijl en thematiek vermengden zich de Roaring Twenties met de Great Slump, en  rassentheorieën met de totalitaire leuzen, en het verzet daartegen. Zij – zonen van de Oostenrijks-Hongaarse periferie – waren in het Interbellum zo vooral wonderlijke wandelaars in het verbrokkelende Europa.

Het briefje ontroerde vooral vanwege volgende passage, waarin Crnjanski een herinnering aanhaalt uit 1913, uit de tijd waarover ik mijn vorige boek schreef (De Dagen van Gavrilo Princip): ‘Wonderlijk is de speling van het lot. Terwijl ik dit schrijf herinner ik me weer hoe ik in Rijeka in 1913 (…) het blad Bosanska Vila las met daarin uw gedichten. U zag er indrukwekkend uit en we waren erg van u onder de indruk. En nu? We zijn uitgewaaierd over de wereld,  hebben nauwelijks nog droog brood te eten, of hoop dat het allemaal iets zal verbeteren. In de wereld overwint het kwaad.”

Het briefje, kortom, verbond het jeugdige enthousiasme van de jaren tien met de sombere naoorlogse terugblik van de jaren vijftig. Het was een klein miniatuurtje van Europa’s duistere twintigste eeuw, verbonden door en in de grillige levens van twee Servisch-Britse onheilsprofeten die vooral in de marges opereerden, in de kantines en buitenwijken.

Toen ik het briefje las in het archief van Bradford vond ik het ook een perfecte link tussen mijn eerste boek (De dagen van Gavrilo Princip) en mijn tweede boek (De zieners). Het briefje representeerde de sprong van 1910 naar 1950, van de Belle Epoque naar de Koude Oorlog, en van jonge honden met tomeloze ambitie naar verbitterde mannen, ver van huis en idealen. Een ander citaat, al uit het eerste hoofdstuk van Bij de Hyperboreeërs, geeft deze sfeer goed weer:

Het is nergens goed voor, zeg ik tegen mijzelf tijdens de koffie bij Valadier. Het is nergens goed voor zo vervreemd te raken van de realiteit. Mensen die nooit hun atelier of hun dorp verlaten, die niet reizen, zijn veel gelukkiger. Ze scheppen iets in hun bestaan. Het leven is zo kort. Als men dan ook nog gaat reizen, verliest het elke zin, eindigt het in waanzin (p16).

DSC_0723
Crnjanski: “IJsland is een groot eiland, ver weg, even groot als Bulgarije, op de route naar de poolstreek en is als laatste van alle Europese landstreken door mensen gekoloniseerd. Gezegd wordt dat de oude Grieken over dat eiland slechts zeemansfabels kenden. Ze dachten dat er een onbekende wereld aanving, waar een wonderlijk soort mensen woonde: de Hyperboreeërs.”

Zie de strip-adaptatie van een gedicht van Milos Crnjanski voor het project Front-Lines.

De Engelse vertaling is van Dragan Drobnjak, de strip van Asterian, en de tekst dus van Milos Crnjanski. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s