Bubers dialogiek

Een belangrijk bijfiguur in het boek De zieners is Martin Buber. Deze in Oostenrijk-Hongarije geboren joodse denker en dichter raakte aan het begin van de twintigste eeuw gegrepen  door de filosofie van Nietzsche. Later zou hij zich vooral toeleggen op het onderzoek naar de chassidische joodse traditie en de mystiek van de ‘ontmoeting’.

Martin Buber had rond de eeuwwisseling een belangrijke ‘mystieke’ fase doorgemaakt, die grotendeels was geïnspireerd op het werk van de middeleeuwse Duitse mysticus Meister Eckhart. De romantische anarchist Gustav Landauer had de mystieke geschriften van Eckhart bezorgd en zo onder de aandacht gebracht van een groot aantal nieuwe lezers. Een van hen was dus Buber.

Buber en Landauer kenden elkaar al van eerdere ontmoetingen, ook in real-life. Het was Landauer geweest die Buber had bewogen meer mystieke teksten te gaan studeren en die had hem meegenomen naar de Neue Gemeinschaft, een anarchistisch-communistische commune die tussen 1900 en 1904 in Berlijn had bestaan. Deze commune trok een grote groep wonderlijke Berlijnse bohème aan vanwege de antiburgerlijke en avantgardistische gezelligheid. Er heerste een voor Duitsland zeer atypische gemoedelijkheid, iedereen werd met ‘jij’ aangesproken en de leden mochten elkaar kussen na een geslaagde lezing. Het was een bont clubje, geen typische academische kring. Gustav Landauer beschreef in die tijd hoe ‘onuitsprekelijk groot de afstand geworden [is], die ons, die zichzelf als de voorhoede voelt, scheidt van de overige mensheid.’

Gustav-Landauer
Gustav Landauer zou in 1919 worden vermoord door Rechtse vrijkorpsen, in München

Een voorhoede was de Neue Gemeinschaft dus, maar wel een die zich daarom nauwelijks liet vastpinnen op het politieke spectrum. De culturele en maatschappelijke oriëntatie waaierde alle kanten op. Toch was er wel enige coherentie te ontwaren in het gedachtengoed. Eén van de belangrijkste overkoepelende ideeën van de Gemeinschaft betrof de ‘Ik-Wereld’ of het ‘Wereld-ik’. Deze pseudo-gnostische religieuze idee ging er van uit dat de unieke ‘ik’ in een diep gevoelde dialoog met de ‘ander’, of in dit geval de ‘wereld’ tot een dieper inzicht zou komen, ja zelfs een hoger menselijk (en dus goddelijk) niveau zou kunnen bereiken. Het doel was echter om in die dialoog de tegenstellingen te sublimeren, niet te versmelten. De goddelijke mystieke samenhang lag in de ontmoeting, de dialoog, tussen het unieke ‘ik’ en de unieke ‘ander’.

In een lezing voor de Neue Gemeinschaft had Buber deze gedachtegang gekoppeld aan het werk van de christelijke filosoof Jakob Boehme. Die lezing was sterk verbonden met zijn proefschrift die hij in die tijd aan het afronden was aan de Universiteit van Wenen. In die lezing kwam Buber tot de volgende conclusies over de Goddelijk natuur van het ‘ik’, en vice-versa: ‘Het is niet genoeg dat de ‘ik’ zich verenigt met de wereld. De ‘ik’ is de wereld. God is de eenheid van alle krachten, dus elk individu draagt in zich de eigenschappen van alle dingen, en dat wat we zijn individualiteit noemen is enkel maar een hogere stap of een ontwikkeling van zijn eigenschappen. De hemel en de aarde en alle schepsels en God zelf bevinden zich in de mens.’

De Neue Gemeinschaft was door interne strubbelingen en ingewikkelde meningsverschillen in 1904 al weer uit elkaar gevallen, maar bij het opzetten van een nieuwe kring was de herinnering aan de commune nog vers bij zowel Buber als Landauer. In de Neue Gemeinschaft was de vriendschap ontstaan tussen Landauer en Buber, en vanuit de grondgedachte van de commune was hun ontmoeting ook een soort goddelijke confrontatie geworden. Landauer had de mystiek in het hoofd van Buber geplant. En andersom had Buber Landauers politieke theorie meer diepgang gegeven. Volgens een biograaf betekende voor Buber de vriendschap met Landauer, na zijn huwelijk, de belangrijkste ‘ontmoeting’ van zijn leven.

Al een paar jaar na het uiteenvallen van de Neue Gemeinschaft had Gustav Landauer alweer een nieuwe club opgericht: de socialistische bond, die wederom een overkoepelende organisatie was van kleine basis-anarchistische communes die, als het ware, als oer-cellen de toekomstige utopie zouden voorbereiden. Erg invloedrijk was de Socialistische Bond niet, maar via de Bond kon Landauer wel een tijdschrift uitbrengen in welke hij zijn belangrijke ideeën over bezit, economie en politiek kon publiceren.

In zowel de Neue Gemeinschaft als in de Socialistische Bond hoopte Landauer ‘door afzondering tot de gemeenschap’ te komen. Hij speelde zo met de tegenstelling van het individu en de samenleving, het kleine en het grote. Op een vergelijkbare wijze onderzocht Buber in diezelfde jaren de samenhang van de Wereld en het Ik. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog schreef Buber daarom aan een serie ‘dialogen’ die het concept van het ‘Wereld-Ik’ zouden uitdiepen. Elke dialoog stuurde hij voor commentaar naar zijn beste vriend. Sommige van de dialogen kregen lovende kritieken, maar Landauer kon ook scherp zijn. Dat deed hij niettemin uit vriendschap: hij wist dat Buber zeer kritisch en ook zelf-kritisch was, en de harde woorden nodig had om beter te worden.

Met de halfverteerde ideeën van de Neue Gemeinschaft in hun achterhoofd besloten Landauer en Buber in 1914 toe te treden tot de nieuwe geestelijk verheven kring van Gutkind en Van Eeden. De dialogen van Buber waren in de eerste plaats bedoeld als geestelijke ontmoetingen van mens tot mens, maar waarom zouden die niet uitgebreid kunnen worden naar drie, vier, vijf of zes mensen? In de samenkomst van een paar grote geesten hoopte Buber te bereiken dat de God-Mens, of het goddelijke, zich zou openbaren in de ‘dialogiek’ van de ontmoeting.  Nog voordat de groep voor het eerste bijeen zou komen stuurde Buber een brief rond waarin hij al voorspelde wat er zou kunnen gaan gebeuren in de samenkomst van mensen. Hij refereerde daarin sterk naar de ideeën van het ‘Wereld-Ik’. Hij schreef dat hij hoopte dat deze samenkomst van individuen de werkelijkheid zouden tonen, in contrast met de ingebeelde werkelijkheid, die zich enkel baseerde op berekening en opinies. Het draaide niet zozeer om de geestelijke of spirituele kracht van de individuen, maar om de wilskracht, de wilskracht om de mensheid echt te redden.

Lijst van figuren - Martin Buber
Martin Buber, auteur van Ik en Jij

Het doel was vooraleerst om het ‘tussenmenselijke’ te ontdekken. Met Landauer had hij dat al ontdekt en onderzocht. De vriendschap tussen de twee joodse intellectuelen was een ontmoeting van het artistieke en het politieke, van het wetenschappelijke en het metafysische, en dit alles in het domein van het mystieke.

De ervaringen die Buber op zou doen in de kring van Frederik van Eeden zouden veel inspiratie bieden voor de ontwikkeling van de ideeen voor zijn belangrijkste boek Ik en Jij (Ich und Du) dat hij al tijdens de Eerste Wereldoorlog begon te schrijven en pas in 1923 publiceerde. Het duurde zo lang voordat hij zijn boek voltooide, omdat hij zeker wilde zijn dat alles klopte. In 1923, het jaar waarin Hitler zijn mislukte staatsgreep pleegde, kwam Ik en Jij uit. Het was een boek geworden over de mystiek van de ontmoeting. Er is veel verbeelding voor nodig om Bubers poëtische tekst te volgen, want een rationele lezing volstaat niet. Ik en Jij is een wijsgerige meditatie.

De kerngedachte van Bubers boek is dat het ‘ik’ niet autonoom is. Het ‘ik’ staat altijd in relatie tot hetzij een object – een ‘het’ – of een ander mens – het ‘jij’. De ontmoeting tussen ‘ik’ en ‘jij’ betreft een ware, diepzinnige en intense ontmoeting tussen twee verwante menselijke zielen. Deze ontmoeting laat zich niet uitdrukken in een objectiverende taal, enkel in poëzie, in muziek of in andere kunstvormen. Voor een ontmoeting die zich laat beschrijven in objectiverende taal is er het woordpaar ‘ik-het’. Dit is een ontmoeting met dingen (een computer, een tafel, een pen), gedachten, of herinneringen. ‘Ik-het’ kan echter ook gaan over een ontmoeting tussen mensen, want lang niet elke ontmoeting heeft een diepere betekenis. Integendeel, de meeste ontmoetingen zijn als ‘ik-het’; een mens kan immers niet altijd en overal met iedereen in zijn totaliteit betrokken zijn. Juist de niet-diepzinnige ontmoetingen maken het mogelijk om te leven. Denk aan de vele dagelijkse ontmoetingen met voorbijgangers op straat, winkeliers, klanten, een reiziger in de coupé, enzovoort. Een mens, zo vond hij, kan inderdaad niet voortdurend in ontmoeting zijn met ‘jij’, maar iemand die echter alléén ontmoetingen heeft met objecten (als in: ‘ik-het’) kan nooit weten wat het betekent om een mens te zijn. Het Hogere of het Wonderbaarlijke openbaart zich namelijk, volgens Buber, in het ‘tussenmenselijke’, ofwel in het woordenpaar ‘ik-jij’.

Buber probeerde in zijn boek de ervaring van een ontmoeting te doorgronden en daarbij dacht hij aan de gebeurtenissen in Potsdam. Met Ik en Jij presenteerde hij een mystiek concept dat ook in die tijd al met veel instemming werd bediscussieerd. Later zou Ik en Jij ingang vinden in zowel de psychologie als de theologie, en in sommige new age-bewegingen.

Recentelijk verscheen een zeer leesbaar boek over Martin Buber, geschreven door Theo Witvliet, emeritus hoogleraar theologie aan de UvA.

[i] Geciteerd in: Maurice Friedman, Martin Buber’s Life and Work: The Early Year 1878-1923 (New York: Dutton, 1981), 79.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s